Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel?
Matthéüs16 : 26a
Dat is de vraag die ons rondom Biddag wel stof tot nadenken mag geven. Christus wilde Zijn discipelen en ons leren zoeken wat tot ons eeuwig heil dient. Daarom heeft Hij hen telkens bepaald bij Zijn noodzakelijk lijden en sterven.
Hij moest de weg gaan om Zijn leven te gaan verliezen opdat Zijn discipelen het leven zouden gewinnen. Daar worden wij ook telkens aan herinnerd. Zondags en doordeweeks worden wij daarbij bepaald. Elk seizoen wordt ervoor gearbeid. Maar heeft die arbeid in uw leven vrucht voortgebracht?
Want telkens is u bekendgemaakt dat wij heenreizen naar onze eeuwige bestemming. En als we nu alles in de tijd gewinnen, maar schade aan onze ziel oplopen dan zullen we zo ontzettend arm zijn. Ja, dan zijn we niet slechts voor de eeuwigheid nameloos arm, maar dan lijden we hier op aarde ook al schade. En ‘schade lijden’ daar weten we allen wel vanaf: dat is nadeel oplopen; dat is gebrek lijden. En dat vinden we in het natuurlijke en in het materiële al zo vreselijk. Dan doen we alles om ons maar in te dekken tegen de gevaren.
We verzekeren ons vaak van wieg tot graf voor al de gevaren en verliezen die we in het leven kunnen ondergaan.
Maar als we niet meer hebben, dan lijden we schade aan onze ziel. Want al hebt u de hele wereld gewonnen maar geen Borg voor uw ziel, dan staat u in de eeuwigheid voor eigen rekening, dan mist u alles. Dan is uw ziel verloren, en ziel verloren is alles verloren! Dan lijdt u eeuwige schade. Daarom stelt de Zaligmaker deze vraag: “Wat baat het een mens…?” Daarom eist deze vraag een antwoord. Dat is de vraag voor een volk op aarde die daarom gaan vragen zoals die stokbewaarder “Wat moet ik doen om zalig te worden?” Want dat, gemeente, is een volk dat er achter komt dat ze wat missen. Die komen in de tijd er achter dat ze zo ongelukkig zijn. O, die leren dat ze God missen en daarom zo nameloos arm zijn. Al zouden ze na Biddag alles ontvangen en ze voor het oog der mensen gelukkig lijken, en anderen hen zelfs benijden.
Maar toch, als God hen gaat ontdekken aan hun geestelijke armoede en gebrek dan is het met de rust in het leven gedaan. Dan gaat de glans van alles van de wereld eraf. Wat wordt dan de leegte, de ijdelheid en de vergankelijkheid dezer wereld ondervonden. Dan komt er misschien wel een tijd in uw leven dat u voor uzelf zo’n raadsel gaat worden. Voorheen uw vreugde en vermakingen in alles wat deze wereld u te bieden had. Maar nu ogenblikken dat u zichzelf zo ellendig gevoelt. Wat gaan de zaken van de eeuwigheid dan alles bepalen. Dat u vanuit het Woord Gods en door middel van de prediking meer en meer ontdekt wat de oorzaak is van die onrust. Waar Gods Geest u eerlijk gaat maken en de Heere Zichzelf in uw leven voorstelt als de Rechter van Hemel en aarde Die u schiep en onderhoudt. Als die God voor Wie u niet kunt bestaan vanwege uw menigvuldige zonden. Ja dan gaan we pas verstaan dat we schade lijden aan onze ziel. Niet straks, nee reeds nú!
In hun leven geschiedt wat wij lezen van Saulus van Tarsen: “Zie, hij bidt”. Voor het eerst bidden. Vroeger? O, toen was het slechts een hoogmoedig en geveinsd zelf bedoelen. Maar nu wordt het nood. Een gezicht op onze diepe ellende en nameloze schuld verschrikt ons. Niks geen winst meer in de wereld. Nee, juist een schuld die verzoend móet worden! Zondaar worden voor God! En dat betekent het leven (uw ziel!) te moeten verliezen. Vernietigd en gedood moeten worden. Vers 16 b spreekt van “wat zal hij geven tot lossing van zijn ziel?” Nodig dat u dat Goed dat nooit vergaat deelachtig wordt. Een begeerte in de ziel om die Parel van grote waarde te kennen, maar tevens te leren daar geen recht op te hebben. Om dan te leren eeuwig arm te zijn, eeuwig schade te moeten lijden aan onze ziel. Dan wordt het echt Biddag: “Gena o God, gena hoor mijn gebed” met de begeerte van Psalm 6 : 2 “Vergeef mij al mijn zonden…” Ja , slechts ene begeerte overhouden: “Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding”.
O, onbevattelijk wonder als de Heere dán genade gaat schenken. Niet om uw smeken, maar omdat Hij met uw rampzalig lot bewogen blijkt en Zich over rampzaligen wil ontfermen. Waar Hij zichzelf als een Losprijs voor uw ziel wilde geven. Omdat Christus Zijn leven wilde verliezen, daarom mag u het in dat benauwende ogenblik behouden. Waar u ondergaat in uw verlorenheid en het leven verliest aan uw kant, daar schenkt Gods Geest in de toepassing de onnaspeurlijke rijkdom: CHRISTUS! Want wij lezen in 2 Kor. 8:9: “Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden”.
Welk een heerlijkheid en rijkdom ontvangen zij die ogenzalf mogen ontvangen om de Lijdende Knecht des HEEREN te aanschouwen in Zijn schuldovernemende zondaarsliefde! Waar u geleerd had schade aan uw ziel te lijden in de tijd, daar mag u nu door de openbaring van de Zaligmaker aan uw ziel een rijkdom bezitten die alle aardse rijkdommen zeer ver overtreft.
Daar mag die verloste en gekochte ziel uitroepen met Ps.142 : 5 “Mijn Rots, Mijn deel, mijn eeuwig goed!” Weet u, die verloste ziel leert na Biddag op aarde ook Dankdag houden. Want gemeente, bidden is bedelen erkennen overal buiten staan, rechteloos te zijn. Maar Danken dat is in verwondering neerzinken vanwege onverdiende weldaden.
Alleen hij die zo nu tussen biddag en dankdag mag leren dat Hij u heeft rijk gemaakt door u deelgenoot te maken van al Zijn heilsgoederen, kan het juiste antwoord geven op Christus’ vraag. Wat baat het een mens zo hij de gehele wereld gewint….” Die kan zeggen: Niets Heere! Maar die mogen door genade uitroepen: “Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk of ik ben; ‘k heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.” O, dan kan een onbekeerde evenals Ezau zeggen: “ik heb veel’. Maar dan mag er ook een volk zijn die met Jakob zeggen kunnen “Ik heb alles”. O, ik had niets; leed schade, maar nu zal ik nooit meer gebrek hebben. Want die weten dat ze het eigendom zijn geworden van Hem. Want Hij kon zeggen: “al het goud en zilver is mijn, het vee op duizend bergen: want de aarde is des Heeren, met al haar volheid”. O, die mogen met Maria weten: “Zij heeft het goede deel uitgekozen dat van haar niet zal worden weggenomen.”
Ds. K. van Olst