Meditatie

Sola Scriptura

Naar aanleiding van Psalm 119:89:

“O HEERE, Uw Woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen”.

Wij beleven moeilijke tijden. Door het coronavirus zijn veel mensen ziek geworden of zelfs gestorven. Het maatschappelijk leven, het economisch leven, maar ook het kerkelijk leven zijn langdurig ontwricht geweest.

Er zijn ook andere ontwikkelingen waarop gewezen kan worden, zoals bijvoorbeeld de zorg om de schepping. Ook kunnen wij denken aan de sterk anti-Christelijke geest die de harten van de mensen in beslag lijkt genomen te hebben en die zich opdringt aan ons allen. Wij leven in een cultuur waarin Gods Woord ontbreekt, waarin de liefde wijkt, waarin het materialisme hoogtij viert en waarin de mens zichzelf tot norm is.

Toch zingen wij het met de woorden van Psalm 119:45 (berijmd): “Deez’ aard’ is hecht, door Uwe hand bereid; haar stand blijft vast, al wiss’len haar tonelen”. En het is waar: de tonelen van deze aarde wisselen. Ouderen onder ons moeten wellicht soms wel eens denken dat zij in een geheel andere wereld leven dan waarin zij geboren zijn. Een onlangs overleden predikant vertelde mij eerder dit jaar dat hij nog meegemaakt had dat de bestuurder van de tram in een stad afriep waar men moest uitstappen als men een kerk wilde bezoeken voor een Bijbellezing. Dat was ruim zestig jaar geleden. In dezelfde stad worden nu kerken afgebroken en werd een paar jaar geleden in een voormalige kerk door de meest seculiere partij in ons land de verkiezingsoverwinning gevierd, terwijl de diskjockey op de voormalige kansel de muziek bediende….

Alles verandert, soms zelfs ook in het kerkelijk leven. Eén ding verandert echter niet en dat is het Woord Gods. Dat Woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen. Eer hemel en aarde waren geschapen was het Woord er al, want het Woord was in den beginne (Johannes 1:1). Het Woord was bij God en het Woord was God, wat ziet op Christus. En dat Woord is vleesgeworden en heeft onder ons gewoond. Als de Heere ons Zijn Woord openbaart dan komt Christus daarin tot ons in het gewaad, in het kleed, van Zijn Woord. Dat Woord is eeuwig, omdat God eeuwig is. Dat Woord is eeuwig omdat het Gods Woord is.

Eer Adam was geschapen was het Woord er dus al. En dat Woord is ons in de tijd geopenbaard doordat heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, de woorden Gods hebben opgetekend (zie 2 Petrus 1:21). Nu kan er veel veranderen. De tijden veranderen en mensen veranderen. Eén ding verandert echter niet en dat is het Woord van de Heere. Dat Woord kan door mensen gesloten worden of zelfs veracht worden. Het kan op aarde miskend worden en soms wordt er zelfs aan dat Woord toe- of afgedaan. Uit alles blijkt dat het Woord niet bewaard wordt door mensenhanden, althans niet van nature. Maar al wordt het dan op aarde niet bewaard, het wordt wel door God bewaard, in de hemel. Dan mag het ook een grote troost zijn dat de Heere Zelf Zijn Kerk bewaart bij Zijn Woord. Waaraan is de Kerk die zalig wordt te kennen? Ik denk aan de woorden die de Heere Jezus spreekt in het Hogepriesterlijk gebed: “Zij hebben Uw Woord bewaard”. En als mensen Gods Woord bewaren is dat toch omdat de Heere Zelf de Zijnen bij Zijn Woord bewaart. Met Zijn Woord en Geest begeeft en verlaat Hij Zijn gelovigen niet. Wat is het daarom een grote zaak dat de Heere ons Zijn Woord heeft gegeven. Dat de Heere ons bracht onder het beslag van Zijn Woord en onder de beademing van het Woord. Mogelijk is dat pas later in ons leven gebeurd. Misschien mag dat van jongs af aan al gelden. Wat is het een grote zaak als Gods Woord ons van de wieg tot het graf mag vergezellen. Ik moet denken aan een ambtsdrager die op zijn sterfbed lag. Er was de trouwe zorg van zijn echtgenote. Er was het medeleven van zijn ambtsbroeders, familie en gemeenteleden. Hij verklaarde kort voor zijn sterven aan twee dingen genoeg te hebben. En dat was dat hij nu en dan wat water mocht drinken, maar ook dat Gods Woord naast hem lag. 

Het is een zegen dat de Heere ons Zijn Woord geeft. Want dat Woord kan ons wijs maken tot zaligheid. De Heere Jezus spreekt over het Woord als de Schriften die van Hem getuigen (Johannes 5:39). En Hij beveelt ons ook dat Woord te onderzoeken.

Van dat Woord zegt Guido de Brès (NGB, artikel 2) dat de Heere ons daarin te kennen geeft zo veel als ons van node is in dit leven, tot Zijn eer, en tot zaligheid der Zijnen. Daarom moeten in dat Woord onze gang en treden vast gemaakt zijn of worden. Juist ook om in de tijd waarin wij leven de geesten te beproeven of ze uit God zijn en om staande te kunnen blijven in de kwade dag.

Dan is het boven alles niet alleen nodig om hoorders en lezers van het Woord te zijn, maar door genade ook daders. Wat zou het groot zijn als er onder ons mogen zijn die mogen instemmen met de woorden van Guido de Brès in artikel 5 van de NGB waarin hij zegt dat de Heilige Geest in ons hart getuigenis heeft gegeven dat de Schriften van God zijn. Gevoelde u en jij al eens door het Woord gegrepen te zijn zodat het zwaard des Geestes kwam tot in de diepste uithoeken van uw hart? Dan verklaart het Woord u en jou schuldig, maar dan wil de Heere ook doorwerken en wil Christus Zich tot zaligheid aan uw ziel openbaren. Mag u en jij ervan zingen: “Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond! Uit Uw bevelen krijg ik verstand; daarom haat ik alle leugenpaden” (Psalm 119:103 en 104 onberijmd)?

Lees daarom toch steeds, biddend om bekering en geloof, Gods Woord met ook het gebed dat de Heere uw gang en treden in Zijn Woord vast wil maken. 

Vriezenveen, ds. IJ.R. Bijl.