• 2020-01-01 15_27_53-Foto's.png
  • Kerk1.jpg

Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen

Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.

2 Korinthe 7 : 10

Wij leven met elkaar door de diepe val in het paradijs in een gebroken wereld. Op alle terreinen van het leven zijn de gevolgen zichtbaar en voelbaar. We zien de beelden van velen in de wereld die in grote ontreddering zijn ten tijde van rampen en schokkende gebeurtenissen. We zien dikwijls de bittere tranen van hen die bij het ontzielde lichaam staan van één hunner geliefden. We zien ook de tranen wanneer er een zeer ernstige boodschap ontvangen werd van de doctoren. Maar we weten ook dat er zijn die diep bedroefd zijn over een huwelijk dat onmogelijk stand kon houden en uiteindelijk verbroken werd.

En we weten van de tranen die er hier en daar geweend worden vanwege de verdeeldheid tussen ouders en kinderen.

Er wordt ontzaglijk veel leed en verdriet geleden. En toch leert ons de Schrift dat dit alles buiten de waarachtige bekering slechts een beginsel is van de eeuwige smart. Velen komen immers daardoor nooit bij de ware oorzaak, te weten de zonde, en nooit daarmee in schuldverslagenheid voor Gods aangezicht terecht. Het is een droefheid naar het gemis van het goede en genot van de dingen dezer vergankelijke wereld. Het leven blijft voortgaan zonder Hem in eigen gekozen wegen.

Nodig is om hogerop geleid te worden, tot het besef van de levende God gebracht te worden. Want als we een rechte indruk krijgen van wie wij zijn voor de Eeuwige en levende God, dan zou ons hoofd wel water moeten zijn en ons oog een springader van tranen om te bewenen de breuk tussen God en ons.

Dat kan, lezers, wellicht in ons leven misschien ook wel eens opengelegd zijn. Want wie kan ooit voor Hem verschijnen Die te rein van ogen is dat Hij de zonde kan gedogen? Heeft Kaïn daar niet iets van doorleefd toen hij door God Zelf werd bepaald bij zijn daden en bij het zien van de gevolgen wanhopig uitriep dat zijn misdaden groter waren dat zij vergeven konden worden?

Zelfs koning Achab heeft een diepe droefheid gevoeld. Hij, die Naboths wijngaard had genomen en uit Elia’s mond Gods heilig ongenoegen en straf over zijn zonden heeft vernomen, maar diens weeklacht ging slechts over de gevolgen, want Achab is Achab gebleven.

En denken we daarbij ook niet aan Judas? O, wat werden zijn ogen geopend, wat was hij diep overtuigd dat hij door zijn verraad de schuld was van het bloed van Christus. Het oordeel maakte hem wanhopig maar bracht hem niet in verslagenheid aan de voeten van Hem Die gekomen was om zelfs de grootsten der zondaren zalig te maken.

Och, geliefde lezers, hoe ligt dat thans voor ons?  Wat hebben de woorden Gods in onze ziel en ons leven uitgewerkt? Leerden wij iets van de droefheid kennen die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt? Weten wij iets af van tranen die geweend gingen worden toen uw leven voor uw zielsogen geopend werd? De leegte in uw leven, de armoede van uw bestaan ondanks alle tijdelijke zegeningen? Werd het gemis van de gemeenschap met de levende God de oorzaak van een onverklaarbare droefheid? Leerden wij verstaan wat het is om oog te krijgen voor de nood waarin we geboren worden? Geboren zonder God om, als die God het niet Zelf verhoedt, ook zonder die God te moeten sterven?

Gaf dat een onverklaarbare droefheid in het hart waardoor u leerde om toch tot Die onbekende en door u getergde God te leren bidden? Hij Die u zoveel heeft geschonken en al zo lang heeft gedragen, maar Die u door uw afmakingen ontelbare keren in het Aangezicht geslagen hebt. Dat u met Ezra (9:6) moet belijden: ‘Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God: want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel’. Die droefheid naar God gaat soms gepaard met uiterlijke tekenen van berouw en verootmoediging. Was dat in Petrus’ geval niet overduidelijk zichtbaar toen hij na zijn verloochening Kajafas’ zaal ontvluchtte en bitterlijk weende? Was die droefheid ook niet zichtbaar bij de tollenaar toen hij de achterste plaats innam en zijn ogen niet naar de hemel op durfde heffen en zichzelf op de borst sloeg? En werd de innerlijke droefheid bij Efraïm niet zichtbaar toen hij aan zichzelf  bekend was geworden en op zijn heup klopte? Zij allen verfoeien zich in stof en as, niet vanwege de verdiende straf, maar vanwege de liefde tot God. Die liefde tot God die hen de zonde bitter maakt, maar gelijker tijd al meer verbreekt omdat zij niet anders kunnen dan doen wat kwaad is in Zijn oog. Die onverklaarbare liefde doet de liefde tot alles buiten Hem uitdoven. De begeerlijkheid der wereld verliest zijn bekoring. Ze gevoelen dat hun ziel alleen dán getroost kan zijn, als zij Christus Jezus als hun Zaligmaker geschonken krijgen en met Hem verenigd zullen zijn!

Hoewel dezulken ten volle erkennen dat Hij hen rechtvaardig voorbij kan gaan, kleeft hun ziel Hem toch standvastig aan. Zij roepen in hun droefheid uit of Hij toch wil verheugen de beenderen die Hij verbroken heeft?

O, lezers, wat mogen dezulken onder ons moed scheppen! Want Hij heeft beloofd dat Hij in het hoge en verhevene woont, maar ook bij dien die van een verbrijzelde en nederige geest is. En daarom zullen al die bedroefden van hart zekerlijk eens rijkelijk vertroost worden, want: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. Zalig immers degenen die treuren, want zij zullen vertroost worden. Zijn genade zal hun geschonken worden omwille van Zijn voldoening aan Gods recht en de verheerlijking van Zijn deugden. En waar die genade zo heel persoonlijk hen geschonken wordt en dat lieve Lam Jezus door Gods lieve Geest in hun ziel geopenbaard wordt, maakt dat zij nu onder zeer zoete tranen van dankbaarheid en verwondering met hart en mond gaan uitroepen:

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei

Veranderd in een blijden rei;

Mijn zak ontbonden, en mij weer

Met vreugd omgord; opdat mijn eer

Niet zwijg'. Zo klimt Uw lof naar boven;

Mijn God, U zal ik eeuwig loven.                 

(Ps. 30: 8 ber.)

Ds. K. van Olst

Go to top