Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking.
Dit moet, mijne broeders, alzo niet geschieden.
Jakobus. 3 : 10
Deze brief die de apostel Jakobus schrijft, is gericht aan de zogenaamde twaalf stammen die in de verstrooiing zijn. Dat zijn de vervolgde christenen vanuit de Joden die tot de erkentenis gekomen zijn dat Christus de van God beloofde Zaligmaker is, maar die ook door genade uit de dood zijn overgegaan in het leven der genade. Deze door God bekeerde mensen hadden het vervolgens na hun bekering niet gemakkelijk temidden van allen die nog vreemdeling waren van God en hun eigen hart en werden zwaar beproefd.
Daarom spoort Jakobus deze kinderen Gods aan dat hun geloof zichtbaar zou worden door hun werken. Luther had aanvankelijk met deze brief van Jakobus niet veel op. Hij had weliswaar heel duidelijk (en tot zijn zaligheid!) geleerd dat een mens zónder de werken zalig wordt, maar ging later uiteraard ook wel verstaan dat een geloof zonder de werken niet anders is dan een dood geloof. En daarom wordt onmiskenbaar in het leven van al Gods kinderen genade zichtbaar. Of, gezien ons tekstwoord, hóórbaar worden. Want aan de vruchten kent men de boom. Dan kan het niet anders dat het vat uitgeeft wat er in zit. En dat is dus ook met de woorden die uit het hart voortkomen en door de mond uitgaan.
Wat komt er, lezers, uit onze mond? Zegenen wij God en de mensen? In het oorspronkelijke staat er letterlijk zoveel als: iets goeds zeggen van, ofwel: God en de mensen prijzen. Och, dan voelt u wel wat daarmee bedoeld wordt. Adam, in de staat der rechtheid, díe deed dat! Zijn hart was toen vervuld met zoveel heilbespiegelingen dat hij eigenlijk gewoon niet anders kon dan alleen maar goed van God spreken. Want God was goed voor hem en dat deed hem met zijn mond het schoonlied van Zijn Koning zingen. Adam was als profeet geschapen en kon niet anders dan zijn Naam belijden als groot én goed! En daarom zal Adam ook nooit één kwaad woord over de lippen zijn gekomen tot zijn vrouw Eva. Ook zij zal opgemerkt hebben hoe lief Adam God had en daarom ook haar als Gods schepsel eerde en prees in al haar daden.
Moet, lezers, bij ons allen daarom nu de hand niet op de mond? Letterlijk en figuurlijk niet de hand op de mond? Want ach, wat is ons hart een vuile bron van wanbedrijven geworden! Immers, uit het hart komen voort niet slechts boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen en dieverijen, maar óók valse getuigenissen en lasteringen. Dus leugen en kwaadspreken van de God en de naaste, dat vloeit uit de mond! Adam begon er al mee toen hij tot God durfde spreken: de vrouw die Gij gegeven hebt! En Eva ging er al mee door: de slang heeft mij bedrogen! De waarheid verdraaien, een halve waarheid, maar daarom toch een hele leugen.
Lezers, laten we eens eerlijk overdenken: hoe is het bij ons? En laten we deze vraag nu niet opnieuw voortzetten met verdraaien en liegen door ons eronderuit te worstelen. Want dat doen we van nature allen en doen we zo gemakkelijk! Dan geven we God de schuld, dan ligt het altijd aan een ander. Dan vervloeken wij God door Hem de schuld te geven. Dan spreken we kwaad van Hem en stellen we Hem in een kwaad daglicht, terwijl we eigenlijk daarmee onszelf proberen goed te praten.
Echter, als Gód tot ons gaat spreken en wij opmerkzaam gaan worden op Zijn Woord, dan zullen we gaan leren zwijgen zoals de moordenaar aan het kruis. Dan gaat de hand op de mond want vanuit die vreze gaan we voor het eerst, evenals die moordenaar, Zijn Naam belijden. Daar wordt geleerd om goed te spreken van God; om met die moordenaar te erkennen dat wij ook door onze woorden strafwaardig zijn. Die ontdekking van zonde en schuld leert om vanuit het hart dan voor het eerst met de mond God aan te roepen. Dan komt er niet slechts een ootmoedige belijdenis, maar ook een ootmoedig smeken of Hij nog gedachtig aan Zijn Woord wil ontfermen. Want alle mens is leugenachtig, maar Hij is de getrouwe Getuige. Hij is een God die niet liegen kan en belooft dat die Hem nederig valt te voet, van Hem Zijn wegen zal leren. Daar gaat het oog geopend worden voor de Zone God in Wiens mond geen bedrog gevonden werd, maar Die Zijn Vader heeft verheerlijkt. Want Hij heeft altijd goed van God de Vader gesproken en Christus heeft Zijn Woord gegeven dat Hij het was door Wie de Vader de wereld met Zichzelve wilde verzoenen. O, wat een lieflijk Evangelie en wat een getrouw Woord hetwelk aller aanneming waardig is, maar dat dan ook tot ziel-zaligende vertroosting gehoord én verstaan mag worden dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken.
Werd toen, geliefde lezers, uw hart, als eens Adam, wederom vervuld met heilbespiegelingen dat het niet anders kon om het schoonste lied van Die Koning te zingen? Dezulken gaan God zegenen, dus weer goed van Hem spreken, maar ook het goede van én tot de naaste spreken. Dan geen vervloeking; dus niets meer ten nadeel van God en de naaste. Geen roddel, geen achterklap, niet langer meedoen aan het verspreiden van een kwaad getuigenis van de naaste. Liever dan in gezelschap het gesprek trachten om te buigen opdat Zijn Naam om onzentwille niet meer gelasterd maar veeleer geprezen worde. Doch wat blijkt de tong als één van de kleinste leden van ons lichaam dan als een klein vuur dat een grote hoop hout in brand kan steken. Wat geeft het derhalve veel verdriet als niet slechts Zijn lof door ons niet verkondigd wordt, maar ook als telkens blijkt dat onze keel een geopend graf is, we met de tong bedrog plegen en er nog zoveel slangenvenijn onder onze lippen is. En daarom altijd stilletjes alleen maar de bede overblijft:
Zet, HEER’, een wacht voor mijne lippen; behoed de deuren van mijn mond, opdat ik mij, tot genen stond, iets onbedachtzaams laat' ontglippen.
Ds. K. van Olst