En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en de zondaar verschijnen?
1 Petr. 4 : 18
In de overdenking van deze woorden letten wij op wie de hier bedoelde rechtvaardigen zijn. Het zijn namelijk niet zulke mensen, die met de volmaakt geschapen Adam, in de staat der rechtheid, volkomen heilig en rechtvaardig in zichzelf zijn, want zodanigen worden er na Adams val op aarde niet gevonden; dewijl niemand in deze zin rechtvaardig is, ook niet tot één toe, (Rom. 3:10). Het zijn ook zulke rechtvaardigen niet, die zich, gelijk de farizeeën, een eigen rechtvaardigheid inbeelden en zo behoren tot dat geslacht, dat rein in hun eigen ogen en nochtans niet van hun drek gewassen is, (Spreuk. 30:12); maar het zijn zulke rechtvaardigen, die zich bij Goddelijk licht als arme, verloren, melaatse, strafschuldige en machteloze mensen, als diep reddeloze zondaren, die zondaar zijn tot in hun gebeente toe, hebben leren kennen; die met al hun schuld in de geopende wonden van Jezus gelovig hebben leren schuilen; die op Hem hebben leren zien, door het arme zondaarsgeloof, als op dat dierbare Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, (Joh. 1:29); die met de tollenaar om genade hebben leren bedelen, beschouwende al hun beste deugden en gerechtigheden voor God als een wegwerpelijk en onrein kleed, (Jes. 64:6). Het is dat volk, dat in Jezus als de dierbare Borg van zondaren zulk een gepastheid, dierbaarheid en noodzakelijkheid leerde zien, dat het niet kan nalaten gedurig voor Hem neer te buigen, zeggende met Jakob: „Heere! het is mij zulk een droevig denkbeeld om ongezegend heen te gaan; nu dan, ik heb U zo in en tot alles nodig, ik hoop op Uw woord, en ik zal U niet loslaten, tenzij Gij mij zegent", (Gen. 32:11).
Het is dat volk, dat zulk een ledigheid en nietigheid in hun beste plichten ziet en daaronder leert schrijven: „deze zijn des doods waardig:" en dat daar tegenover zulk een berekenbaarheid en volkomen genoegzaamheid ziet in Jezus' bloed en voorbidding, om hun zonden te verzoenen, hen van schuld en straf vrij te maken en het verlorene recht ten eeuwigen leven volkomen weer terug te geven. Het is dat volk, dat in de tweede Adam weer terug zoekt, hetgeen in de eerste verloren is, en dat ook op deze toevluchtnemende geloofswerkzaamheden, op dit zien op Jezus en schuilen bij Jezus voor God gerechtvaardigd en vrede met Hem deelachtig wordt, (Rom. 5:1); zodat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus zijn, (Rom. 8:1); want Hij, die geen zonden gekend heeft, is zonde in hun plaats geworden, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, (2 Kor. 5:21). Maar dewijl het nu gebeuren kan, dat de mens enigszins een klager over zijn zonden en een bidder om vergeving worden kan, zonder nochtans onder het rechtvaardige volk te behoren, zo leert de Schrift ons verder van de ware rechtvaardigen, dat zij ook uit dankbaarheid aan de Heere rechtvaardige daden beginnen te doen.
Door een nieuwe en hemelse geboorte, die de wereld niet kent, zijn zij genegen, om in alles voor de Heere oprecht te leven en te doen, wat recht is in Zijn ogen.
Hun nieuwe wedergeboren natuur is rechtvaardig of vaardig tot recht, en wil zeer gaarne alles doen, wat de Heere in Zijn Woord beveelt. En het moet alleen aan hun verdorven natuur worden toegeschreven, dat zij zich in Godverheerlijkende plichten menigmaal nog zo loom en traag bevinden en met de dichter moeten klagen: „Mijn ziele kleeft aan 't stof", (Ps. 119:25); hetwelk dan ook hun smart en klacht uitmaakt, en hen gedurig doet opzien om kracht en genade van boven. Bij gevolg, de vergeving, vrijspraak of rechtvaardig- making van zulke mensen, die van hun oude doodgronden zijn afgedreven, alleen en geheel op Jezus leunen, maar ook zo hartelijk gaarne voor de Heere willen leven, en zo biddend jagen naar de volmaaktheid, zijn van de rechte stempel en is echt en geen ingebeeld werk: Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, (1 Joh. 3:7). Laat dit genoeg zijn van de rechtvaardige, en laat ons nu in de tweede plaats letten op de goddeloze en zondaar, die in onze tekst tegenover de rechtvaardige gesteld worden. Er wordt dan gesproken van de goddeloze en zondaar, hetwelk door sommigen zo wordt samengevoegd alsof er stond de goddeloze zondaar. Nu, deze samenvoeging is wel niet ongegrond, dewijl zeker door beide benamingen onbekeerde mensen bedoeld worden, nochtans willen andere geleerden goddeloze en zondaar liever op deze manier onderscheiden: dat ze door goddelozen zulke mensen verstaan, die alleszins roekeloos en bandeloos in de allergruwelijkste zonden onbeschroomd heen leven, en dag bij dag de Heere tergen door een leven in ontucht, dronkenschap, lasteringen, oneerlijkheid en dergelijke dingen meer; en dan verstaan zij door zondaars zulke mensen, die wel de Bijbel lezen, de middelen waarnemen, nog enige indrukken van dood en eeuwigheid hebben en zedig leven; maar die toch nog waarheid in het binnenste missen, geen werk voor Jezus hebben en dus nog onbekeerd en onbereid voor de eeuwigheid zijn. Ik voor mij ben het nochtans beter eens met die uitleggers, die de onderscheiding juist omgekeerd maken; en versta derhalve door de goddelozen alle mensen (hoe zedig zij ook leven en wat zij ook mogen gelijken), die nog de genade der bekering missen. Immers goddeloos wil zeggen zonder God, gelijk zorgeloos wil te kennen geven zonder zorg, of ouderloos, zonder ouders. En ziet, zo is het toch met elk mens van nature van zijn jeugd af. Hij leeft van nature zonder God in de wereld, (Ef. 2:12). Goddeloos of zonder God wordt hij geboren, en als een zodanige ligt hij als een kind in de wieg en zit zo op de schoot van zijn moeder. Daarom zijn het zulke veelbeduidende woorden, die wij lezen, (Ps. 58:4): „De goddeloze is vervreemd van de baarmoeder af," en elders, „van de buik af zijt gij een overtreder genaamd geweest," (Jes. 48:8). En dan kunnen wij door zondaars zulke onherboren mensen verstaan, die dagelijks meer openbaar hun werk van allerlei ergerlijke zonden maken, zodat ieder hen als de zodanigen kennen kan. Zulken, die dagelijks de ogen van Gods heerlijkheid verbitteren, aangezien hun tongen en handelingen tegen de Heere zijn (Jes. 3:8) zulken, bij wie bijna alle vrees en ontzag voor een Opperwezen is weggezondigd; die geen indrukken van dood of eeuwigheid meer hebben, en die door het leven in allerlei ergerlijke zonden alzo gesteld zijn, alsof zij zich haasten moeten, om een plaats in de hel te krijgen. Van dit soort zijn er velen in onze roekeloze eeuw onder jongen en ouden, aanzienlijken en armen, gelijk wij dagelijks zien kunnen.
Wulfert Floor
Uit: Eenvoudige oefeningen (Eerste bundel)