Uw Koninkrijk kome.
Matthéüs 6 : 10a
Deze tekstwoorden vormen de tweede bede van het zogenaamde ‘Onze Vader’. Dat is het gebed dat de Heere aan zijn discipelen en daarmede aan heel Zijn Kerk heeft geleerd. Nu is het gebed vervolgens ook het voornaamste stuk van de dankbaarheid in het leven van Zijn kinderen. Want door Zijn verlossend handelen brak de strik los en zijn zij vrij geraakt. Daarom is Hij waardig te ontvangen alle lof, eer en aanbidding. Vandaar hun bede dat Hij alom als Koning zal regeren.
Weliswaar ís Zijn Koninkrijk reeds gekomen. Immers de heilige engelen Gods zijn gedurig rondom Zijn troon. En ook de triomferende Kerk mag hem reeds dag en nacht dienen in Zijn Tempel alwaar Hij heerst als Koning. Gelijkertijd is Zijn Koninkrijk ook op aarde, want alle dingen worden door Christus, Die zit aan de Rechterhand Zijns Vaders, bestuurd.
Maar het gebed van de levende Kerk is dat er nog onderdanen zullen worden toegebracht aan Zijn heerschappij. Dat houdt overigens dan wel in dat satans heerschappij een slag zal toegebracht moeten worden. Dan zullen vijanden tot vrienden worden. Want van nature dienen wij mensen hem, en wel gewillig. Echter, onwederstandelijke genade ontrooft satan zijn dienaren en maakt dat Koning Jezus zichzelf een zeer gewillig volk verkrijgt op de dag Zijner heirkracht in heilige sieradiën getooid. Dan is al hun verzet gebroken omdat zij als een doemwaardig zondaar hun straf leerden eigenen, alle eigen gerechtigheden leerden verachten, maar door Zijn genadige openbaring van Zijn volkomen Middellaarsarbeid ook werden ingewonnen en bekwaam gemaakt om louter door Zijn bloed gezaligd te worden. Juist dáár en dán begeren al diegenen Zijn wil te doen die heilig is en goed. Zijn koninklijke wetten zijn in hun hart geschreven.
Echter, juist diegenen voor wie Zijn dienst een liefdedienst is geworden, zullen hun onvolkomenheid om Hem waarlijk te kunnen dienen dagelijks ondervinden. Wat zijn zij vaak nog onverenigd met Zijn wil en Zijn weg. Abraham kon zich nog maar zeer slecht aan Gods koninklijke wilsbesluiten onderwerpen toen hij Diens gedane belofte zelf wilde gaan invullen door Hagar te nemen en daardoor Gods Koninkrijk zelf tot stand wilde laten komen. Lag ook Petrus dat koninklijke raadsbesluit niet in de weg toen hij Christus’ dood trachtte te voorkomen? Moest ook hij niet leren om zijn eigen wil te verzaken? ’s Heeren onderdanen in 2026 zullen evenzeer daarom dagelijks verzuchten dat Zijn koninkrijk in hún leven almeer gestalte mag gaan krijgen.
Ze zien er naar uit dat Zijn Koninkrijk ook bewaard zal blijven. In en van zichzelf zijn ze zo nietig en gering dat ze niet één ogenblikje kunnen staande blijven. Het zal meer en meer de ondervinding zijn dat ze als het braambos zijn in de woestijn van Midian ten tijde van Mozes. Och, zou de Heere hen niet bewaren, dan zouden zij zeker in de strijd en de hitte der verdrukking omkomen.
Gods kinderen van alle eeuwen hebben eveneens die levende begeerte dat Zijn Koninkrijk kome; dat er nog toegedaan zullen worden tot dat Rijk dat eeuwig en onwankelbaar zal zijn. O, dan zien zij wel eens op degenen die hen zo lief en dierbaar zijn; hun man of vrouw, hun (klein)kinderen en allen die hen dierbaar zijn. Maar ook in de wijdere kring hopen ze er toegebracht te mogen zien worden. Maar juist zíj zien de hevige strijd van de vorst van het rijk der duisternis woeden. Zij weten hoe satan reeds in de hemel dit Godsrijk tegenstond, maar voorts tevens Christus’ koninkrijk in het paradijs met alle macht trachtte te dwarsbomen door Adam en diens gehele nageslacht eeuwig daarbuiten te houden. Ja, zelfs poogde hij Christus’ herhaaldelijk te verleiden. Want was Hij gezwicht tijdens de verzoeking was heel het Godsrijk ten gronde gegaan. Tevergeefs woedde hij ook in Petrus’ leven, want Christus had gebeden dat diens geloof niet ophield omdat Hij Zijn Koninkrijk zal bouwen, zelfs dwars door alle tegenstand heen. Dat kon tijdens Farao’s kindermoord en evenmin door Haman gedwarsboomd worden. Ook Herodes, en antichristelijke overheden hebben dat Koninkrijk des Heeren niet kunnen afbreken.
Maar deze bede zal onophoudelijk in het hart van hen oprijzen die geopende ogen hebben gekregen om alle vijandelijke machten waar te nemen. Op politiek terrein ontwaren zij in onze dagen ontzaggelijke helse ontwikkelingen die uit de afgrond komen opdat Gods inzettingen afgebroken worden en ruimbaan gegeven wordt aan alles wat tegen Zijn Woord ingaat. Maar, o, wat worden daarnaast tevens een helse aanvallen binnen de kerken op de prediking van Gods Woord gericht. Een verbondsmatige prediking die almeer opkomt; een leer van de veronderstelde wedergeboorte die door satans adem werd én wordt ingeblazen in de kerk. Verder zoekt de verleider der beginne ook juist in onze dagen weer het remonstrantse gedachtengoed nieuw leven in te blazen door vanaf de kansels de totale doodstaat te loochenen. Het zaligmakende geloof wordt daardoor vrucht van eigen akker, in plaats van dat ontwaakte, verloren en doemwaardige zondaren wordt geleerd Wie Christus is en wat God Drie-enig vermag én doet om zondaren te zaligen door Zelf hen in Zijn geestelijk Koninkrijk over te brengen. De separerende prediking van Wet en Evangelie wordt almeer het zwijgen opgelegd en duizenden worden alzo misleid en buiten de bewuste inlijving en kennis van Christus de handen opgelegd.
Toch hebben Gods kinderen met zichzelf het allermeest te stellen! O, dat oude zondelievende bestaan! O, dat wereldgelijkvormige hart! O, die vurige en niet te blussen lusten en verlangens! O, die begeerte tot al dat zin- en zienlijke! O, dat rebelse en helse hart als Zijn weg niet hun wil blijkt te zijn! O, die lauwheid en traagheid tot de geestelijke middelen! Och, wat maakt dat desondanks hun hart menigmaal weer roepende dat toch Zijn koninkrijk kome; dat Hij almeer als Koning zal gaan regeren en hen aan Hem onderworpen zal maken.
En daarom zien Zijn onderdanen weleens uit naar die grote en doorluchte dag des Heeren dat Hij zal wederkomen op de wolken des hemels. Dan zal ten volle waar gaan worden wat Daniël eenmaal aan Nebukadnezar mocht bekendmaken na diens droom waarin dat machtige beeld met dat gouden hoofd en de zilveren borst vermalen werd door een steen die van de berg afgehouwen werd en die steen vervolgens tot een grote berg werd. Daarin betoonde de Heere dat alle koninkrijken op aarde eens een einde zouden krijgen. Alle vorsten, alle groten der aarde, en alle machten die zich tegen Hem verzetten zouden dan plaats moeten maken voor het Koninkrijk dat uit de hemel zou afdalen. Zijn Koninkrijk zou als die steen tot een zeer grote berg worden. O, dat zal toch tot eeuwige glorie wezen als de Stad Gods op aarde zijn plaats ten volle zal gaan innemen. Dan zal Babylon, dat is het beeld van deze door satan geregeerde zondige wereld, in de zee geworpen worden. Dan is het voor eeuwig voorbij met alles wat zich tegen God verheft. Ja, dán zal alle knie zich voor Hem buigen en Hem erkennen als Koning. Dan zal de ganse aarde van Zijn heerlijkheid vol zijn, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. Dan is de Kerk Gods van alle vijanden van buiten én binnen verlost en elk der vorsten zal zich buigen, en vallen voor Hem neer; al ’t heidendom Zijn lof getuigen, dienstvaardig tot Zijn eer!
Ds. K. van Olst