Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden; Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.
1 Petrus.1 : 3-5
Lezers, het is zo op het oog wellicht wel een heel lang tekstgedeelte voor een korte meditatie in de kerkbode. Je zou geneigd zijn te denken: kan dat niet korter? Nou, zoals u ziet is het natuurlijk één lange zin; met overigens enkele bijzinnen. Maar als we het lezen is het alsof Petrus struikelt over zijn gedachten. Want hij schrijft over de hoop der zaligheid van Gods kinderen en dat is eigenlijk ook niet met een enkel woord te zeggen. Daar kunnen Gods kinderen en Gods knechten eigenlijk niet over uitgesproken raken. En toch bestaat dat eigenlijk maar uit één woord: GENADE. Want de uitverkorenen in de verstrooiing waaraan Petrus schrijft was die genade geschonken, maar het zou hen ook zelfs vermenigvuldigd worden.(vs.2) Nou ja, probeer die genade en wat er dus allemaal nog bij komt, dan maar eens kort te beschrijven. Dat lukt nooit!
Want ze waren allereerst uitverkoren. Zij hadden God niet verkoren, maar God heeft hen verkoren boven zovele anderen. Niet omdat ze beter waren, hoor. Nee, maar omdat God hen heeft begeerd, en dat desondanks hun onwaardigheid en onverbeterlijke verdorvenheid.
God was over hen met barmhartigheid bewogen (vs. 3) Toen geen oog medelijden met hen had, brandde Zijn hart van liefde. Nu valt liefde eigenlijk nooit te beschrijven, dat kan alleen maar zichtbaar worden in daden. En, ach lezers, dan wordt Zijn grote barmhartigheid wel ontzettend zichtbaar in Gods daden dat Hij voor godhaters toen én nu, Zijn Enige Zoon overgeleverd heeft in de handen van Zijn vijanden met de vaste wetenschap dat zij Hem zouden vertrappen en wegwerpen en als een Onwaardige.
Dat Hij dat met mij en u had kunnen laten gebeuren, was duizendmaal rechtvaardig geweest. Ik hoop maar, geliefde lezers, dat we daar achter zijn gebracht. Ach, dan is mijn dood, mijn rechtvaardige verdiende straf, Gods eeuwige toorn jegens mij, me zo thuisgebracht dat ik in die nood alleen nog maar kon roepen om genade, hoewel ik er soms niet eens meer om durfde vragen. Maar, o wonder, door Zijn grote barmhartigheid schonk Hij mij toen het leven toen Hij mij wedergeboren deed worden tot een levende hoop toen ik vast mocht geloven dat Christus voor míj gestorven was en ik door Hem het eeuwige leven heb verkregen in Zijn Naam. Dan begrijpt u nogmaals dat Petrus daarover niet uitgesproken raakt.
Ja Petrus mocht, met allen die dat genadewonder deelachtig werden in hun leven, delen in een erfenis. Nu is een erfenis iets dat een overledene achterlaat voor die hem toebehoren en waaraan zo iemand met innige liefde was verbonden en wenste dat die nabestaanden diens bezittingen zouden krijgen. Nu kan, ik evenals Petrus, opnieuw nooit beschrijven wat een kostbare erfenis Gods kinderen deelachtig zijn geworden.
Immers, alles wat van Hem is, is van de Zijnen. Wat een schatten en weldaden zijn hun deel geworden toen zij tot Zijn kinderen zijn aangenomen: verzoening, gerechtigheid, heiligheid, liefde, vertroosting, vrede, het kindschap Gods, eeuwig leven en alles wat tot de zaligheid behoort. Die grote erfenis is overigens een onverderfelijke erfenis die dus niet vergaat maar eeuwig hetzelfde blijft. Die erfenis is ook een onbevlekkelijke omdat er niet één verkeerd element aan vastkleeft, maar er juist een liefelijke geur vanuit gaat. Ja, die erfenis is zelfs onverwelkelijk omdat de schoonheid en de dierbaarheid nooit aan waarde zal verliezen, maar altijd dezelfde schoonheid en beminnelijkheid zal behouden en dus de Kerk die zaligheid ook nooit zat zal worden.
Maar, hoewel Gods volk onuitsprekelijk rijk is ín en dóór Christus, krijgen ze die rijkdom op aarde niet in handen. Jazeker, soms mogen ze weleens een ogenblik zich zielsvertroostend daarin verblijden, maar het wordt voor hen in de hemelen bewaard. Hun eeuwige God en Vader waakt voor en over hun erfenis, want ze zouden het anders zeker en gewis weer kwijtraken. Zij zijn immers nergens mee vertrouwd! En daarom kunnen zij zich nooit verheffen, maar moeten ze altijd van genade leren leven. Maar eenmaal zal hen de volle erfenis worden geschonken als ze in de vreugde des Heeren mogen ingaan. Dan zal al hun armoe, gebreken en ellendigheid achterblijven als ze het uit Zijn eigen Mond mogen horen: Komt, gij gezegende des Vaders, en beërft het Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.
Het is overigens dikwijls helemaal niet aan hen te bemerken dat ze rijk zijn en delen in die zalige erfenis. Want Petrus ging, met allen die Zijn Naam ootmoedig leerden vrezen, vaak bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen over de aarde. Want voor de Kerk ligt in datzelfde Testament besloten dat zij door veel verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk der hemelen. En voor hun waarneming is hun weg zo dikwijls onbegrepen. Hun bestraffing is er alle dagen weer opnieuw, terwijl de goddelozen vrede lijken te hebben. O, dat pelgrimsleven door de woestijn is zo vaak geen gemakkelijk leven want het doet hen gedurig klagen en hete tranen schreien want voor hun waarneming is er geen ongelukkiger schepsel dan zij. Dan staan ze soms overal weer buiten en kunnen ze nergens meer in- en bijkomen. Máár, God Die rijk is in barmhartigheid, heeft hen door die grote barmhartigheid wedergeboren doen worden, tot een levende hoop, zodat ze op Zijn tijd en wijze ook weer door Hem worden verlevendigd doordat ze de vaste grond van hun zaligheid gebracht worden. Dat is toch eigenlijk weer niks anders dan Hem nog eens met het oog des geloofs te aanschouwen als hun Erflater en getrouwe Zaligmaker. O, lezers als een ogenblikje in Zijn goedgunstigheid het hart reeds zulk een vreugde en zoetheid schenkt, wat zal het dan straks zijn als die onbevattelijke erfenis ontvangen mag worden? Dan zullen ze ontvangen hetgeen geen oog gezien, geen oor gehoord en in geen mensenhart ooit is opgeklommen!
Ds. K. van Olst