|
Meditatie
“En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden”. Handelingen 4 : 12.
(2) Geen andere naam. Jezus alleen!
Wordt dat in ons leven waar, dan wordt het ook duidelijk, dat onze naam er buiten valt. Dat onze naam niets oplevert, niets wezenlijk goeds althans. Dat onze naam alleen maar staat voor ellende, nood, dood en verderf. Onze naam is Adam. (Prediker 6: 10-a. "Wat ook iemand zij, alrede is zijn naam genoemd en het is bekend, dat hij een mens is"). Aardmens. Door de zonde gevallen mens, aan de duivel toegevallen mens, sterfelijk mens, verdoemelijk mens. Onzalig wezen, satanskind en -knecht. Levend (stervend!) onder een vloekende wet en een toornend God. Een God van Wie de mens het moet verliezen. (Prediker 6: 10-b." En dat hij niet rechten kan met Dien, Die sterker is dan hij").
Daarom: in onze naam geen zaligheid, maar rampzaligheid. Waar dat nu beleefd gaat worden, daar heeft onze naam in beginsel afgedaan. En wordt die met een walg de rug toegekeerd. O!, dan, dán wordt die andere naam gespeld, die ene naam waardoor er nog zaligheid is. Geen andere naam. Jezus alleen! Tot eeuwig behoud.
Geliefden, dat moet er nu gebeuren: we moeten de eigen naam verliezen en die andere naam ontvangen. Dat moet geschieden: loslaten én aangrijpen. Stervend tot het leven komen. Vallend opstaan. Dát is dan ook wat God ons beveelt: te sterven aan onze eigen naam.
Wat gaat die naam van de Heere Jezus voor een aan zonde en schuld ontdekte ziel een ontzaglijke betekenis en waarde krijgen. De Naam van die tweede Adam, Jezus Christus, de Zoon van God. Die op aarde is gekomen en onze natuur heeft aangenomen, mens is geworden. Die de zonden van Zijn kinderen op Zich heeft genomen, de straf daarover heeft willen dragen. Wat wordt Hij de Kerk toch gepast, noodzakelijk, lief en dierbaar! Als de Bloedbruidegom, Die Zich heeft doodgeliefd aan het vloekhout van Golgotha. Hoe heeft Hij aan dat kruishout nameloos willen lijden vanwege onze naam! Omdat wij naam wilden maken ten koste van Gods Naam. O, wat heeft dat goddeloze streven der mensen al niet aangericht aan bittere ellende en eeuwige smart!
Maar nu is dát het Wonder, dat de Heere Jezus voor zulke zelfbedoelers, zelfhandhavers en zoekers van eigen naam en eer de schuld gedragen, de helse pijn doorleden, vergeving bereid en een nieuwe naam verworven heeft (Openbaring 2: 17-b). Voor wie? Voor een ieder, die de Naam des Heeren aanroept. Voor allen, die niet over hun schuld heen werken, maar in de schuld komen, zondaar voor God worden En die vanuit de diepte van ellende gaan roepen tót God en verloren gaan ónder God. Onder het zoete en verdoemend recht Gods. Die zielen gaan door genade de deugden Gods lief krijgen. Dát is de zaligheid, dát is de laatste vreugde: het eren van Gods deugden. Zij vallen aan Gods zijde en krijgen zich over voor de eeuwige straf. O, en aan hen wordt die Naam, die Persoon gegeven. Dat gebeurt in het uur der waarheid, wanneer de ziel met Christus wordt verenigd en mag wegzinken in Zijn liefde.
Ja, de Zaligmaker wordt gegeven. Dat is een eenzijdig Godswerk. Gegeven: omdat wij uit onszelf (dood in de zonden en de misdaad!) nooit onze eigen naam zullen opgeven, noch Jezus' naam zullen zoeken. Daarom: gegeven. Vrije genade. Eeuwig welbehagen. Geliefden: ook ons wordt in de prediking die Naam voorgehouden, opdat wij zouden gaan roepen: ‘Geef mij Jezus of ik sterf want buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsverderf.’ Roepen, omdat we met een Drie-enig God verzoend moeten worden. Roepen, omdat 't weer goed moet komen tussen God en onze ziel op weg en reis naar die grote Godsontmoeting in de nimmereindigende eeuwigheid. Roepen, opdat er weer tot Gods eer en tot roem van Zijn Naam zal worden geleefd. Roepen! Dan kunnen we de Heere niet aan Zijn plaats laten! Dan moeten we van de Hemel geholpen worden!
Roepen. Kennen wij dat? Het is zo nodig! "En het zal zijn dat een iegelijk, die naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden". En: "Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot."
* Die naam aanroepen, door welke wij moeten zalig worden. Wij, zegt Petrus. Hij sluit zichzelf in. Petrus is onderwezen door de Heilige Geest en weet dat ook hij zelf steeds weer die Naam nodig heeft. Om te leren, dat Gods naam alleen de eer moet ontvangen. Om te leren, dat Petrus zonder de Heere niets kan doen.
Om te leren, dat het nodig is, steeds weer door de Heere bevestigd te worden, dat niet Petrus met de Heere, maar de Heere met Petrus begonnen is. Gods kind zucht het dan ook uit: Heere, ik bedrieg me toch niet? Is het begin uit U? Wilt U nog eens terugleidend licht schenken? Om te leren, dat Petrus in alles Zijn leiding, kracht en wijsheid nodig heeft. Om zo te leren: Niets uit ons, alles uit Hem, zo gaat het naar Jeruzalem. * Wij! Wij moeten. Moeten! Nodig, wil het eeuwig wel zijn en zal het niet eeuwig omkomen worden. Moeten! Levensnoodzakelijk! In die naam van de Zaligmaker alleen is er vergeving, toekomst, rust, vertroosting in dit aardse tranendal en vreugde in het leven der toekomende eeuw. Géén andere Naam.
Niet onze naam. Daar moet de Gods kind dan ook het gehele leven door tegen strijden. De eigen naam moet er steeds meer onder! Maar dit is de troost: Bij de laatste snik, sterft het eigen ik. Dan ben ik van ik verlost. Eeuwig wonder!
Gods ware kerk, die door God is geroepen en daarom tot en om God is gaan roepen, wordt nu geroepen om, delend in de zalving van de Heere Jezus, Zijn Naam te belijden. Dat is: voor Zijn Naam uit en op te komen. Die Naam te verheerlijken. Om zichzelf tot een levend dankoffer aan Hem te wijden en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel te strijden en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren. (Heidelbergse Catechismus zondag 12). Geliefden, mogen wij al iets van dat andere, dat nieuwe, dat ware leven kennen? De Heere is het zo waard om geloofd, gediend en gevreesd te worden! En buiten Hem zijn we in zo'n ontzettend groot gevaar! Daarom: haast u toch om uw levens wil!
Het wordt u nog verkondigd: ‘En al wie de Naam des Heeren aanroept zal zalig worden.’ Zalig worden! Eeuwig gelukkig zijn! Zich kwijt raken aan de HEERE. Zich kwijt lieven in God. In dankzegging, in lofprijzing:
"Ik zal Uw naam met lofzang eren; dit eist Uw naam; want die is goed" (Psalm 54: 3).
Ds. W.J. Teunissen |